Gedichten

BOMEN

Stil staan ze
in het ijle winterlicht:
hogepriesters
van een onzichtbare tempel,
afgedaald in een gestalte
van hout en sap en blaren,
hun takken
wijd geopende armen
hun twijgen tengere vingers
die geduldig
naar de hemel wijzen.
(Of zijn bomen antennes
die ik-weet-niet-wat-voor-boodschappen
opvangen?)

(Uit: “Pelgrim”)